Verhaal 3: Ik reisde af naar een Braziliaans eiland en vond het kut

Ik leer mezelf steeds beter kennen. De ontdekkingen zijn niet altijd fraai, maar dat accepteer ik. Langzaam, soms. Zo weet ik inmiddels dat als andere mensen iets HELEMAAL FANTASTISCH vinden, ik het waarschijnlijk ‘wel oké’ vind. Hierdoor bestaat mijn leven vaker uit middelmatig plezier dan uit extatische hoogtepunten. Dat is dan maar zo.
Helaas was ik deze natuurwet even vergeten toen ik in Brazilië was en mensen me vertelden dat ik ab-so-luut naar Ilha Grande moest. Een – jawel- groot eiland met schreeuwende apen, oogverblindende stranden en schitterende wandelroutes. Nu ben ik niet vies van het strand, dus ik besloot te gaan.
De narigheid begon al in het transferbusje dat me kwam oppikken in Rio de Janeiro.
In het transferbusje, dat een gewone personenauto bleek te zijn, zat een veel te blij koppel op de achterbank. Ze kwamen uit Utah.
‘Goh, Utah’, zei ik. ‘Ik weet niet zo veel van die staat, behalve dat er veel Mormonen wonen.’
Ze keken me zo mogelijk nóg blijer aan: ‘Wij zijn Mormonen!’
Twee uur lang moest ik alles aanhoren over hun vier kinderen, hun liefde voor wapens (“for self protection”) en het feit dat Mormoonmoeder nog nooit buiten de VS was geweest. Sterker nog, ze was nog nooit verder geweest dan Utah, Colorado en Nevada. In Brazilië was ze continu op haar hoede, vertrouwde ze me toe. Overal dreigde gevaar.
Wat ze eigenlijk bedoelde: “Negers, ik vertrouw ze niet.” Het bleek een familietrekje te zijn. “My mom is a bit racist and my sister and I are both married to Latino’s. The irony!” Ze vonden het super grappig.
Ik keek naar haar man en besefte dat dit de meest blanke Latino was die ik ooit had gezien.
“En ik heb ook nog eens joodse roots”, zei hij grinnikend. Smakelijk zaten ze er om te lachen. Die gekke racistische moeders ook. Halverwege de rit wilde ik mezelf uit de keihard rijdende auto gooien. Maar ik was te laf.

Eenmaal aangekomen op het eiland zei de ze ik vlug vaarwel. De Mormonen en ik zaten niet in hetzelfde hostel. Mijn hostel lag aan het strand. Het stonk er naar nat hout en zout. De kamers waren klein en de lakens waren continu vochtig. Of leek dat zo? Ik kwam er niet uit. Gekmakend. Ik besloot het los te laten. ’s Nachts zakte ik steeds dieper in de kuil van het matras. Loslaten, loslaten, loslaten godverdomme.

Buiten zat Jenny haar telefoon op te laden. Ze reisde met Nick, allebei kwamen ze uit de buurt van Newcastle. Nick wist veel van agrarische dingen en rugby, Jenny zou na de vakantie beginnen aan haar opleiding tot detective. Ik vond ze leuk, dus ik besloot mezelf aan hen op te dringen. Ze vertelden goede verhalen. Zo hadden ze problemen gehad met een Braziliaans kind van vier jaar.
‘We were on the beach and the kid wouldn’t leave us alone.’
Nick: ‘It was constantly throwing sand on us. We tried to make him stop.’
Jenny: ‘Yeah, we told him many times to leave us alone.’
Nick: ‘But he couldn’t understand us, of course. And we don’t speak Portuguese.’
Op dat moment schoot Jenny in de lach: ‘So Nick pushed him over.’
Nick schoot meteen in de verdediging, ogen groot, armen wijd: ‘Yeah, but he was also a bit weird. Like mentally challenged, you know!’
‘That doesn’t make it better, Nick.’
‘It helped though. The kid went away.’
Jongen naar mijn hart.
De volgende dag besloten we naar een strand te lopen: Dois Rios. Een tocht van twee uur over een steil pad. Maar dan had je ook wat, als je andere reizigers mocht geloven.
‘Going to Ilha Grande? Walk to Dois Rios, man. It’s totally awesome.’ Zo’n typische backpack mythe.
Vanaf Dois Rios vaart een boot terug naar het hostel. Fijn. Twee uur teruglopen, daar hadden we natuurlijk geen zin in.

De zon scheen niet en toch was het bloedje heet. Benauwd. Al gauw waren onze ruggen nat van het zweet. Mijn voedselvergiftiging van een paar dagen daarvoor speelde op, waardoor het beter was om niet al te veel te zeggen. Uit een open mond kan immers braaksel ontsnappen en ik
wilde een gezonde indruk maken op Nick en Jenny. In de verte klonk het geluid van ronkende kettingzagen.
‘You hear that?’zei Nick. ‘Those are monkeys.’
Dat vonden we best cool.
Bij elk ritselend blad keken we geconcentreerd naar het groen, hopend op een exotisch dier. Met het kleinste dier waren we al tevreden geweest, voor een Nederlander en twee Engelsen is de natuur immers al snel indrukwekkend. We zagen niets, werden wel lek geprikt door de muggen. Het was prettig dat Nick en Jenny het pad ook saai vonden – ‘Does it ever end?’ – want het is niet makkelijk om als enige de saaiheid van het moment te ervaren.

Toen we bijna bij Dios Rios waren, liepen we tegen twee parkwachters aan. In Brazilië zijn ze dol op interessantdoenerij, dus we moesten onze namen en nationaliteit op een papiertje schrijven.
‘Por que?’ vroeg ik.
Ze begrepen de vraag zogenaamd niet.
Via een zanderig paadje, dat tussen barakachtige huisjes liep, kwamen we uit op het strand. De lucht was donkergrijs en even verderop was een volwassen vent met een op afstand bestuurbaar vliegtuigje aan het spelen. Zijn zoon kreeg geen enkele keer de afstandsbediening in handen.
‘What a wanker’, zei Nick kijkend naar de man.
Hij en Jenny maakten uit automatisme wat foto’s. Ik ging zitten op mijn stranddoek en keek om me heen. Het was een strand. Veel meer was er niet over te zeggen. Ja, er waren twee rivieren. En er was groen.
Wat er niet was: een boot die ons kon terugbrengen. De golven waren te hoog, werd ons uitgelegd. De andere toeristen op het strand, een Israeli en een Argentijn, baalden net zo flink als wij. Samen probeerden we eilandbewoners om te kopen. Konden we geen lift krijgen naar het dorp? Ze hadden zo’n mooie Jeep voor de deur staan. We zouden er goed voor betalen.
Nee, geen lift. Eilandregels. Was het ons niet opgevallen dat er geen taxi’s reden?
Jawel.
Precies. Toeristen dienen een boot te nemen. Als die niet uitvaren: lopen. Ilha Grande is een eco-eiland.
Heerlijk hoor.

Weer twee uur lopen over dat pad – dat verdomde pad. Dit keer vonden we een short cut. Dwars door de jungle. Onder het bladerdak was het zo mogelijk nog heter. Er waren tien keer zo veel muggen. We praatten elkaar moed in door te zeggen dat het ons drie kilometer scheelde.
Op het moment dat we het dorp vanaf de heuveltop zagen liggen, begon het te regenen. Niet een beetje. Dit was een hevige wolkbreuk. We waren doorweekt. Nick klaagde over schurende dijen, ik was misselijk van het niet-eten en Jenny had een grote blaar tussen haar tenen.
Nog zo’n 40 minuten te gaan. We troostten elkaar met de gedachte dat we straks een warme douche konden nemen.

Moe, nat en hongerig. Zo kwamen we terug in het hostel. Een pikdonker hostel. De stroom was uitgevallen. Op het hele eiland.
‘It could take a while before the power is back on’, zei het hostelmeisje schouderophalend. We wilden haar wurgen.
In Brazilië betekent geen stroom: geen douche. Douches werken daar namelijk op elektriciteit. In het donker zochten we naar droge kleren. Daarna gingen we aan het bier.
Opgewekt pakte Jenny haar telefoon. ‘At least I can check my email now.’ Ze wachtte al een paar dagen op een zeer belangrijke mail van de Police Academy.
Nick en ik keken haar aan. ‘No power, no wifi.’
In haar ogen laaide een vuur op. ‘I hate this island.’
Daar dronken we op.

Advertenties
Getagged , , , , , , , , , , ,
%d bloggers liken dit: